Duits>Bewegen, Heben, Springen!

Bewegen, Heben, Springen!

A1Duits10 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. Ich trage die Einkäufe.

    Ik draag de boodschappen.

  2. Der Junge lässt sein Spielzeug fallen.

    De jongen laat zijn speelgoed vallen.

  3. Sie drückt einen Knopf.

    Zij drukt op een knop.

  4. Die Männer ziehen an einem Seil.

    De mannen trekken aan een touw.

  5. Die Frau besteigt den Berg.

    De vrouw beklimt de berg.

  6. Das Mädchen springt über eine Pfütze.

    Het meisje springt over een plas.

  7. Der Mann hebt einen schweren Stein.

    De man tilt een zware steen.

  8. Sie öffnet die Fenster.

    Zij opent de ramen.

  9. Er schließt die Tür.

    Hij sluit de deur.

  10. Wir bewegen den Tisch.

    We verplaatsen de tafel.

0:00