Duits>Werfen und Fangen

Werfen und Fangen

A1Duits10 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. Er hält einen Ball.

    Hij houdt een bal vast.

  2. Sie nimmt ihm den Ball weg.

    Zij neemt de bal van hem af.

  3. Sie werfen sich den Ball zu.

    Zij gooien de bal naar elkaar.

  4. Sie fängt den Ball.

    Zij vangt de bal.

  5. Er versucht, den Ball zu fangen, aber er verfehlt ihn.

    Hij probeert de bal te vangen maar mist.

  6. Der Ball fällt zu Boden.

    De bal valt op de grond.

  7. Er hebt den Ball auf.

    Hij raapt de bal op.

  8. Er wirft den Ball.

    Hij gooit de bal.

  9. Sie schlägt den Ball mit einem Schläger.

    Zij slaat de bal met een knuppel.

  10. Er springt und fängt den Ball.

    Hij springt en vangt de bal.

0:00