Italiaans>Muovere, sollevare, saltare!

Muovere, sollevare, saltare!

A1Italiaans10 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. Porto la spesa.

    Ik draag de boodschappen.

  2. Il bambino lascia cadere il suo giocattolo.

    De jongen laat zijn speelgoed vallen.

  3. Lei preme un pulsante.

    Zij drukt op een knop.

  4. Gli uomini tirano una corda.

    De mannen trekken aan een touw.

  5. La donna sale la montagna.

    De vrouw beklimt de berg.

  6. La bambina salta sopra una pozzanghera.

    Het meisje springt over een plas.

  7. L'uomo solleva una roccia pesante.

    De man tilt een zware steen.

  8. Lei apre le finestre.

    Zij opent de ramen.

  9. Lui chiude la porta.

    Hij sluit de deur.

  10. Muoviamo il tavolo.

    We verplaatsen de tafel.

0:00