Spaans>¡Allá vamos!

¡Allá vamos!

A1Spaans10 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. Él va a la escuela este año.

    Hij gaat dit jaar naar school.

  2. Ella viene a trabajar temprano.

    Zij komt vroeg werken.

  3. Ellos siempre llegan tarde.

    Zij komen altijd te laat.

  4. Nosotros volvemos a casa a menudo.

    Wij keren vaak naar huis terug.

  5. Por favor, no nos dejes todavía.

    Ga alsjeblieft nog niet weg.

  6. Ustedes corren rápido.

    Jullie rennen snel.

  7. Camina despacio. Hay hielo aquí.

    Loop langzaam. Er ligt hier ijs.

  8. Los hombres marchan y cantan.

    De mannen marcheren en zingen.

  9. Un paso a la vez.

    Eén stap tegelijk.

  10. Cada domingo damos un paseo en el parque.

    Elke zondag maken we een wandeling in het park.

0:00