Engels>Physical activities

Physical activities

A2Engels34 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. She plays volleyball at the beach.

    Zij speelt volleybal op het strand.

  2. They jog every day to stay fit.

    Ze joggen elke dag om fit te blijven.

  3. He likes to go kayaking in the lake.

    Hij gaat graag kajakken op het meer.

  4. Anna is learning how to roller skate now.

    Anna leert nu rolschaatsen.

  5. I ride a bike.

    Ik fiets.

  6. Last weekend, we went sailing.

    Afgelopen weekend zijn we gaan zeilen.

  7. He does push-ups every morning.

    Hij doet elke ochtend push-ups.

  8. Last week, we played soccer in the park.

    Vorige week hebben we in het park gevoetbald.

  9. She does gymnastics every morning.

    Ze doet elke ochtend gymnastiek.

  10. He goes skiing in the Alps during winter.

    Hij gaat in de winter skiën in de Alpen.

  11. We plan to learn mountain climbing this summer.

    Wij zijn van plan om deze zomer bergbeklimmen te leren.

  12. We throw Frisbee in the park.

    Wij gooien frisbee in het park.

  13. Have you ever skied?

    Heb je ooit geskied?

  14. I play table tennis with friends.

    Ik speel tafeltennis met vrienden.

  15. Sophie did yoga last night.

    Sophie heeft gisteravond yoga gedaan.

  16. We climb every Saturday in the climbing gym.

    Wij klimmen elke zaterdag in de klimhal.

  17. I hike in the mountains.

    Ik wandel in de bergen.

  18. Will you participate in the bike race next month?

    Ga je volgende maand deelnemen aan de fietsrace?

  19. He is training for a triathlon.

    Hij traint voor een triatlon.

  20. Anna and her family go swimming in Lake Constance.

    Anna en haar familie gaan zwemmen in het Bodenmeer.

  21. I dance in the disco.

    Ik dans in de disco.

  22. Yesterday, I played golf for the first time.

    Gisteren heb ik voor de eerste keer golf gespeeld.

  23. I swim in the swimming pool.

    Ik zwem in het zwembad.

  24. I run in the park.

    Ik ren in het park.

  25. Tomorrow, I'm going skydiving for the first time.

    Morgen ga ik voor de eerste keer parachutespringen.

  26. I started boxing last year.

    Vorig jaar ben ik begonnen met boksen.

  27. Yesterday, I ran quickly.

    Gisteren heb ik hard gelopen.

  28. Tomorrow, I will go ice skating.

    Morgen ga ik schaatsen.

  29. She jogs every morning.

    Ze jogt elke ochtend.

  30. She rides every Saturday.

    Ze rijdt elke zaterdag paard.

  31. He plays soccer on the weekend.

    Hij speelt voetbal in het weekend.

  32. Will you go water skiing again this summer?

    Ga je deze zomer weer waterskiën?

  33. Lukas and Sarah train for the Vienna City Marathon.

    Lukas en Sarah trainen voor de Vienna City Marathon.

  34. We like to dance together.

    Wij dansen graag samen.

0:00