Portugees>Mover, levantar, saltar!

Mover, levantar, saltar!

A1Portugees10 kaarten

Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.

  1. Eu levo as compras.

    Ik draag de boodschappen.

  2. O menino deixa cair o seu brinquedo.

    De jongen laat zijn speelgoed vallen.

  3. Ela pressiona um botão.

    Zij drukt op een knop.

  4. Os homens puxam uma corda.

    De mannen trekken aan een touw.

  5. A mulher sobe a montanha.

    De vrouw beklimt de berg.

  6. A menina salta sobre uma poça.

    Het meisje springt over een plas.

  7. O homem levanta uma pedra pesada.

    De man tilt een zware steen.

  8. Ela abre as janelas.

    Zij opent de ramen.

  9. Ele fecha a porta.

    Hij sluit de deur.

  10. Movemos a mesa.

    We verplaatsen de tafel.

0:00