
Rzucać i Łapać
A1Pools10 kaarten
Voor meer content, talen en functies download je de mobiele app in de App Store of via Google Play.
On trzyma piłkę.
Hij houdt een bal vast.
Ona zabiera mu piłkę.
Zij neemt de bal van hem af.
Oni rzucają do siebie piłkę.
Zij gooien de bal naar elkaar.
Ona łapie piłkę.
Zij vangt de bal.
Próbuje złapać piłkę, ale nie udaje mu się.
Hij probeert de bal te vangen maar mist.
Piłka spada na ziemię.
De bal valt op de grond.
On podnosi piłkę.
Hij raapt de bal op.
On rzuca piłkę.
Hij gooit de bal.
Ona uderza piłkę kijem.
Zij slaat de bal met een knuppel.
On skacze i łapie piłkę.
Hij springt en vangt de bal.
0:00